Mallorca

Mallorca

Bloeiend Wielerhart

Onze wielerclub bestaat dertig jaar. We gaan ter gelegenheid daarvan naar een ook al in het voorjaar van koperen stralen doordrenkt eiland. Gelegen in een Europese binnenzee die eeuwenlang het centrum vormde van de toenmalige beschaving. Waar oude handelsstromen en op retour zijnde religies nog indrukwekkende monumenten hebben achtergelaten. Waar ook een fijnmazige wielerinfrastructuur is aangelegd die je moeiteloos de specialismen van het wegrennen in al zijn variëteiten kan voorschotelen. Een eiland waarop zich een voormalige wielrenner heeft genesteld die een uniek en een uniek lang wielerrecord in de boeken heeft staan. Een record op een discipline die verder voor en na hem door niemand serieus is beoefend. Dat record prijkt op al zijn uitingen naar zijn klanten met inbegrip van de honderden fietsen die hij met zijn tours mee aanbiedt. De fietsen krijg je dan tegen een relatief kleine vergoeding in bruikleen. Wij gaan daar in georganiseerd verband een week fietsen.
De duizenden wielrenners die week in week uit het eiland overstromen dienen de instandhouding van een natuurlijk evenwicht. Zij zijn een extreem aan de yange kant van het energetisch spectrum. De eveneens duizenden zongangers die zich vooral komen laven aan zon en geestrijk vocht vormen dan het extreem aan de yinne kant van dat spectrum. Waarom het trouwens geestrijk vocht heet is me altijd ontgaan. Meestal ervaar ik de uitingen die dit drinkgedrag oproept eerder als geestdodend en geestdovend dan als geestverrijkend. Beide extremen ontlenen bestaansrecht aan elkaar, geven wederzijds een emotionele rechtvaardiging die grond en houvast geeft aan de eigen levensstijl. Een natuurlijk evenwicht dat niet is ontstaan door die wielrenners en door die zongangers maar het gevolg is van een landsaard die er al was en die eilandbewoners lijkt aangeboren. Onderdeel van een land dat door zijn glorierijk verleden heen ultieme wreedheid heeft weten te compenseren met ultiem mededogen. Een eiland dat met die landsaard en dat cultureel erfgoed deze levensstijlen aantrekt en moeiteloos accommodeert. Op dit eiland strijken wij neer met een en een kwart dozijn leden jong en oud, bedaagd en vurig. Liefhebbers van een van de weinige sporten waarin leeftijd lange tijd de degressie van het gewrichtsapparaat en het spierenstelsel kan weerstaan. Waarin getraind oud te weinig getraind jong moeiteloos tot wanhoop en ineenstorting kan brengen Waardoor getraind en afgetraind oud de nabije lokroep van de eeuwigheid een halt kan toeroepen. Waardoor ongetraind en te weinig getraind jong de onweerstaanbare prikkel ervaren het natuurlijke aftakelproces tot een tijdelijke ommekeer te brengen. Waardoor het wederzijdse respect dat zodoende ontstaat harmonie en vertrouwelijkheid oproepen waarin een oude geest zich jong en een jonge geest zich oud kan voelen.
Onder dit gesternte vangt onze eerste verkennende fietstocht aan. Slechts verkennend omdat lichaam en geest de sporen voelen van een nacht die grotendeels reizend is doorgebracht. Een tocht van een half dozijn decakilometers die voert door glooiend landschap en langs smalle met stenen muurtjes omgeven weggetjes met afgelegen hoeves en landerijen, Een zonbeschenen natuur waarin onze banden zingen, onze wielen snorren, onze benen bruisen en onze harten juichen. Een tocht waarin saamhorigheid pedaal- na pedaalslag in onze harten wordt gebeiteld en waarin we een fietsende falanx worden die zich een weg baant door de krachtig tegenspartelende wind. Een falanx die ook ’s avonds in het uitgaansleven een onverbiddelijke en onvoorwaardelijke mannelijke eenheid in stand houdt. Hoe puur en zuiver blijft ook ver van huis een wielerhart als het eenmaal is beroerd door die goddelijke passie. Zolang althans de duivel die nu eenmaal de natuurlijke tegenhanger is van de ogenschijnlijk goddelijke staat, nog niet zijn staart roert. Wat hij vroeger of later natuurlijk behoort te doen omdat anders de loutering geen waarde heeft. Gisteren gebeurde dat vlak voor we terug waren bij ons hotel. In mijn vuur sprong ik zonder op- of omkijken achter een laatste demarrage aan. De koerscorrectie die hiervoor nodig was, is een wielerdoodzonde. Schokgolven van onwelgevoeglijke woorden teisterden ogenblikkelijk mijn oor. Met slingeren en remmen bleef de schade beperkt tot de schrik in de benen die daardoor op slag kansloos raakten. Geschrokken benen hebben geen kracht meer. Zelf heeft mijn tandarts onlangs bij zo een soort actie noodgedwongen een stevige brug moeten slaan. Mijn mea mea culpa heeft die avond lang in mijn hoofd doorgedreind.
De zon overgiet niet elke dag dat eiland. De dag erop, waarop toevallig `onze heer verrezen is’, regent het. Het marmer dat in het asfalt is verwerkt, maakt het wegdek verraderlijk slipperig en daardoor fietsonbegaanbaar. We gaan cultuur doen in de grote stad en zo komen we bij toeval bijna letterlijk oog in oog te staan met de vigerende wereldse vorst van dat eiland die daar elk jaar op de verrijzenisdag van zijn evenknie op geestelijk terrein de mis bijwoont in de zandstenen kathedraal. De indruk die deze ontmoeting op onze autoriteitstere zielen achterlaat drinken we af in een bar die de kleuren hooghoudt van een ander eiland. Dat als enige eiland in de wereld er patent op lijkt te hebben zich te vestigen op plaatsen waar voldoende liefhebbers samenkomen van een mondiaal beoefend balspel . Ze hebben wonderlijk kronkelende geesten die barminnende andere eilanderbewoners. Ze hangen hun bars vol met grote schermen waarop ze de klok rond beelden toveren van matches van teams van een naburig eiland. Een eiland waarvan ze de bewoners bitter verafschuwen. Als hun druïden nog hun vroegere tovermacht hadden zouden ze dat eiland het liefst met man en muis in de golven willen laten ondergaan. Zonder er een traan om te laten ware het waarschijnlijk niet dat dan ook hun natuurlijk evenwicht ernstig zou worden verstoord. Waar laat je immers je afschuw als de bron ervan wegvalt? Zoals ooit lang geleden ook door het grote buureiland een ingenieus teweeg gebracht aardappeltekort nog steeds een louterende werking heeft op hun zangkwaliteiten. Die kunnen reiken van rauwe doorrookte barvocalen tot grote e(so)terische hoogte. Wat een vriend van me, daarnaar verwijzend, in soortgelijke geestijle situaties doet uitslaken: ‘ Wat een hoog enneagram gehalte!’ . Zelf geloof ik overigens meer in het druïdische werkelijkheidsbeeld. Wat me eens in een dialoog met mijn stokoude , zeer gelovige moeder heeft gebracht. Zij neemt de hemel geheel letterlijk en ziet zichzelf wandelen door gouden poorten en op gouden straten. Mijn moeder heeft overigens nooit gewielrend. Ik wed graag op meer paarden zodat ik iets achter de hand heb als er een mank raakt aan werkelijkheidsbesef. Daarom vroeg ik haar: ‘ Als ik geloof denk jij dan dat ik daar ook op een gouden fiets kan rondrijden? En zo vaak ik wil?’.
Paasmaandag is het dan zover. We gaan in groot groepsverband in oplopende sterkte rondrijden. Mijn verlangen naar wielerkundig meesterschap is meestal groter dan mijn benen aankunnen: ik sluit me aan bij de een na snelste groep. Al direct schotelt de gekozen route ons een pittige helling voor. Ik ben nog niet warmgedraaid. Mijn longen zijn dan nog uitgedroogde blaasbalgen die slechts kleine pufjes kunnen inhalen en uitstoten. Te weinig om de benen te kunnen laten meedraaien in het tempo van de groep. Lucht heeft een wonderlijke werking op je geest. Een overmaat aan lucht brengt lucide ervaringen teweeg. Zo heb ik eens in een ademtraining die begon met snel en krachtig in- en uitademen beelden gezien van mezelf als indiaan. Ik zag mijn initiatie tot krijger. Ik zag ook onze eerste krijgstocht en de feestvolle ceremonie na onze behouden terugkeer. Ik kon lange tijd na die training contact maken met die beelden en die geschiedenis. Niet dat ik daardoor direct geloof in reïncarnatie maar feit is dat in mij een bewustzijnstroom rondwaart die invloed heeft op mijn huidige werkelijkheid Het verklaarde voor mij direct mijn bevlogenheid met de indiaanse geschiedenis. Ik ken de namen van vijfentachtig indianenstammen. Ik ken de levensloop van grote Indiaanse opperhoofden als Sitting Bull, Red Cloud, Crazy Horse, Big Feet en Black Elk om er maar enkele te nomen. Ik ken ook de belangrijkste wapenfeiten in de Indiaanse strijd tegen de landhongerige blanke immigratiegolf die die in de eerste helft van de negentiende eeuw op gang kwam. Niet alleen bekende schermutselingen als die bij Little Big Horn in 1876 en Wounded Knee in 1890 maar ook de ‘ trail of tears ‘ van de Cherokee die in 1838 gedwongen migreerden van Georgia naar Oklahoma en de slachting van de ongewapende en weerloze stam van Big Feet. Ik heb zelfs bij mijn oratie een videofilm gemaakt en getoond waarin een indiaan verschijnt op het beeldscherm van een daardoor totaal verraste verkoper van levensverzekeringpolissen. Als de verkoper de indiaan uitlegt wat een levensverzekering is, zegt die: ‘ Merkwaardig dat bij jullie de doden voor de levenden zorgen. Dat kennen wij niet.’ Een tekort aan lucht daarentegen vernauwt het bewustzijn. Die, wel even pittige, maar niet eens zo lange helling vertunnelt mijn wereld naar luchthappen, staren naar grauw, traag langsdraaiend asfalt en overdadig uitbrekend zweet. Alle innerlijke beleving komt kreunend tot stilstand. Zon, zee en natuur waar ik zoeven volop van genoot, worden tot vage verschijnselen van wier bestaan ik me slechts aan de verre horizon van mijn geest wazig bewust ben. Gelukkig hergroeperen we bovenop de helling en kan ik aansluiten bij een groep waar mijn peristaltisch ritme meer mee in harmonie is. De zon wordt weer geel, de zee wordt weer blauw en mijn huid wordt weer droog. In deze groep fietsen ook meerdere clubgenoten mee. Van één van hen is het zowel medisch als naar menselijk moreel en doorzettingsvermogen een wonder dat hij meefietst. Op jonge leeftijd, zo’n dertig jaar geleden was hij motorcrosser. In een schanssprong tijdens een wedstrijd ontsteeg hij zijn motor die hem in een vrije vlucht volgde en op precies dezelfde plek neerkwam als waar zijn lichaam in het zand belandde. Sindsdien heeft de rechterkant van zijn lichaam minder dan de helft van zijn normale vermogens. Daar heeft hij problemen mee bij het lopen en bij het besturen van zijn fiets. Dagelijkse, urenlange sessies op fitness apparaten geven hem sindsdien de kracht onze toertochten van zo’n honderd kilometer met een gemiddelde snelheid van rond de dertig kilometer per uur, moeiteloos te volbrengen. Op onze adelaarskalender van seizoen totaal kilometers staat hij al jaren onaantastbaar op eenzame hoogte bovenaan. Voor iedereen die wel eens stuk zit, moraal kwijt is, wiens fietsplezier soms even teloor is gegaan is hij een stilzwijgende en zelf bescheiden maar voor hen grote bron van inspiratie. De voormalig wielrenner van het wereldrecord merkte tegen hem bij onze aankomst direct op: ‘Zo, jij kunt vast beter fietsen dan lopen’. Zo verkennen we al peddelend op onze eerste tocht het oostelijk deel van dat eiland. Een verkenning die in de loop van de uren het leven terugbrengt tot een simpele essentie: bewegen is genieten. Geen oordeel, geen verleden, geen toekomst. Jammer dat veel verlichte meesteres de fiets nog niet kenden. Anders hadden ze hem vast in hun levenswijsheden opgenomen. Nu moet ik zonder de ruggensteun van deze grote geesten mijn vrouw geheel op eigen kracht overtuigen van de zin van fietsen.

De volgende dag starten we met het maken van groepsfoto’s groepen op afkomst, groepen op snelheid, groepen op elke andere gewenste samenstelling gaan onder strakke regie van ritshoog gesloten fietskleding, compositie en gepaste glimlach op de foto. De centralistische regie vormt een flessenhals die de sessie tot ver in de morgen laat doorlopen. Elk communistisch regime zou uit deze miniatuur werkelijkheid leerzame lessen over zo optredende logistiek coördinatorische patstellingen hebben kunnen trekken. Maar wellicht zou dan de val van de muur ook weer langer op zich hebben laten wachten. Het gemor neemt horenderoren toe. Uiteindelijk worden we losgelaten, op weg naar de bergen vandaag. De eerste veertig kilometer zijn een continu vals plat. Net als in het echt is ook bij de liefhebbers klimmend wegdek een onverbiddelijke scherp[rechter. Geblinddoekt en wel weegt hij zonder onderscheid naar rang, status, verdienste en afkomst de zwaarderen van de lichteren, de dikken van de dunnen, de geblokten van de slanken, de getrainden van de ongetrainden, de moraalrenners van de mooi weer fietsers. Kilometers lang pompen we ons een weg omhoog. Alle tactieken waarmee je op het vlakke een scherprechter in de luren kunt leggen, falen bergop hopeloos. Aanklampen, uit de wind zitten, in het windzog meedrijven is er bergop niet bij. Wegen en voor velen te zwaar bevinden is de voor velen ontluisterende code van een berg. Ook van deze berg, ook voor mij. Ik word voorbijgestoken door de oudste renner van onze groep; door mijn op anderhalf been fietsende, bijna verongelukte clubgenoot; door een ternauwernood herstelde bronchitis patiënt. Tweemal kan ik één van hen met een versnellinkje nog achterop komen, zelfs weer inhalen door in de haarspeld gebruik te maken van het verval dat in het binnenste van de bocht zit en met weinig extra inspanning je even sneller maakt in de stijging. Maar slechts tijdelijk. Een winter van hedonistisch leefgenot toont zich op deze berg in al zijn glorie. Meter na zwoegende meter schuiven alle frieten, alle eieren, alle wijnen, alle baileys en alle andere voor een goede bergfietsconditie aan mijn geestesoog voorbij. De tweespalt in mijn geest wordt hier genadeloos blootgelegd. Mijn hang naar luxe en comfort, mijn innerlijke dwang een jeugd van armoede en tekort te compenseren met overdaad en overvloed. Alsof dat ooit op die manier gecompenseerd zou kunnen worden. Een deel van mij denkt van wel. Dat deel wint het, vooral ’s winters, van het vaak van het deel dat wel beter weet. Dat weet dat alleen de volledige aanvaarding van die jeugd, alleen het inzicht in en de blijdschap met wat die jeugd op die manier mij gebracht heeft, kan leiden tot een transformatie van het geld- en welvaartshongerige deel in mij. Dat onderdeel neemt bergop en altijd als ik achteraan in een groep erbij hang, de overhand. In dat deel neem ik mij heilig voor te matigen. Te matigen met friet, met eten, met koffie en met alcohol. Sober en gedisciplineerd te leven op een dieet van thee, granen en verse groenten. En zo de slankheid terug te winnen die ik met het verstrijken van mijn jeugd en middelleven verloren ben. De slankheid waarmee ik in mijn dromen bergop vlieg= ook in de consensus werkelijkheid waaraan ik hier op aarde deelneem te kunnen inzetten voor ongeëvenaarde klimkracht. Na de afdaling hergroeperen we., ik ben in de middenmoot geëindigd. Toch apart dat je je altijd beter voelt als je voorin meedraait in een langzamere groep dan wanneer je achteraan meefietst in een snellere groep. Ook al rijd je dan per saldo sneller. De psychologie van de prestatie laat zich vaak niet in absolute maar in relatieve context meten. De twee cols die we genomen hebben zijn het keerpunt van onze route vandaag. Langzaam glooiend zoeven we naar beneden. De benen draaien op souplesse in plaats van op kracht. Het oog herwint zijn vrije aandacht. Olijfgaarden, cipresbomen, cederbosjes waar ik graag zou stoppen om een zoemende ceder te vinden die volgens overlevering magische krachten heeft, doen ons vreugdevol vooruit blikken. Om dan melancholiek te mijmeren over het leven dat alweer voorbij gegleden is. Een kudde traag rinkelende schaapsbellen verheft zich tot een bolérisch ritme op ons voor hen onverwachte naderen. In het bewustzijn van een schaap is een fiets op snelheid een veen verbijsterende ervaring als de het rijwiel, de auto, het vliegtuig en al die andere vindingen aan het begin van de vorige eeuw dat waren voor onze soortgenoten. Ook hun bewustzijn raakte van slag door de versnelling van het maatschappelijk leven. neurasthenie, een zenuwziekte door overmatige prikkeling heeft vele klinieken in Duitsland, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk en Rusland lange tijd een meer dan gevulde kas bezorgd. Zo, in de zachte gloed van de namiddag, eindigt onze vierde dag op dat fietsidyllische eiland.
Dan kantelt de week alweer naar zijn einde toe. We hebben in georganiseerd verband een rustdag. Iedereen van onze vereniging vliegt op eigen wijze uit. Met een toeristische trein naar een afgelegen stadje, naar de kathedraal, naar een werkelijk overweldigend aquarium. Een aantal ook gaat de benen een beetje lostrappen. Wij vormen een in Nederland uitstervend soort gezelschap. Onze hele vereniging bestaat uit louter blanke mannen. Geen enkele fietsende vrouw is lid, geen enkele afstammeling van een ander ras, van een ander continent, zelfs van een ander Europees land heeft zich in onze rijen geschaard. Wij wonen in een uithoek van het land, op een forse steenworp afstand van onze oosterburen. Bijna iedereen is in de streek geboren en getogen. Een enkeling zit op deze reis voor het eerst in zijn intussen pensioengerechtigde leven in een vliegtuig. Mijn eigen buurman thuis zag al bijna Abraham voor hij voor het eerst in zijn leven de zee zag. Tonijn, zwaardvis, zalm en vele andere soorten vis heeft hij nog nooit gegeten. De snelweg beangstigt hem. Maar van alles wat zich op en om zijn land afspeelt weet hij vele malen meer dan wij. Hij weet waar fazantennesten zijn, waar egels overwinteren, of er vossen in de buurt zijn, waar patrijzen zich schuilhouden, of een koe ’s nachts moet kalven, waar uilen hun nesten hebben. Mijn clubgenoten zijn ook een intrigerende mengeling van streekgebondenheid en wereldsheid. Zij werken in sectoren van economische bedrijvigheid die ik niet ken. In constructiewerken, in elektrotechniek, in pompen, in pijpleidingen, in anders soorten installaties waarvan ik niets eens wist dat ze bestonden. Ze zwermen van onze streek uit over heel Nederland en zelfs heel de wereld. Ze doen zaken in Amerika, in Afrika en in Azië. Eén bedrijf is gespecialiseerd in magazijnstellingen en plaatst die voor supermarktketens in Amerika, in Egypte en in Japan. Twee andere clubgenoten en ik besluiten naar het dak van het eiland te fietsen. Met zesentwintighonderd hoogtemeters, twintig klimkilometers en bijna honderdvijfenveertig fietskilometers brengt mijn laatste tandvlees me terug. Onderweg bergop ben ik wederom door iedereen voorbij gefietst. Mijn lichaam kan veel maar een fiets in een beetje tempo bergop brengen hoort daar niet bij. Vrouwen die op het vlakke de macht missen, blijken in de bergen vaak ware klimgeiten Ik bok daar niet tegen maar leg me erbij neer dat de wetten van de zwaartekracht in een persoonlijke formule op mij inwerken. Na het baden en eten is de resterende energie naar mijn maag getrokken. Mijn hele lichaam heeft rust nodig en ik trek mij terug op mijn kamer. Als ik even lig, hoor ik gestommel en mijn kamergenoot heeft een sportmasseuse opgetrommeld om me voor het resteredne deel van de avond een beetje te revitaliseren. Ze is de vrouw van een voormalig bollenkweker die tot zijn veertigste nooit iets aan sport deed. Daarna is hij gaan fietsen, heeft hij een tiental alternatieve Elfstedentochten gereden en meerdere triatlons voltooid. Zij voelt mijn gesteldheid, merkt op: ‘Je hebt wel erg veel van jezelf gevergd’ en besluit me een Reiki behandeling te geven. Eerst op m ijn schouders en rug gaat zij behoedzaam en aandachtig mijn energiebanen langs en neemt de blokkerende energie over. Ze raakt me nauwelijks aan, strijkt meer met haar handen langs de energiebanen. Regelmatig slaat ze even haar handen af en wast ze haar handen om zelf de van mij overgenomen oude energie af te voeren. Zo doet ze ook mijn benen. Zo zegt ze : ‘Dat is hard werken, zo is één behandeling op een avond genoeg’. Ik voel me helderder in mijn hoofd en energieker in mijn lichaam.
De dag erop zijn mijn benen nog gestresseerd. Bij het wachten voor een kruising oefen ik een surplace. Ik heb dat in mijn jonge jaren Antonio Maspes vaak zien doen als hij zijn tegenstander in de sprint de kop wilde opdringen. Sindsdien heb ik het vaak beoefend. Ik let daardoor even niet op de groep en ik heb niet de macht er op eigen kracht weer bij te komen. Dat lukt pas heuvelafwaarts weer als mijn massa zich kan omzetten in snelheid zonder dat de benen zich extra hoeven in te spannen. We gaan opnieuw de bergen in. Kilometers lang slingeren we gestaag omhoog. Ook nu gaat de schifting zich onherroepelijk aftekenen. Niemand ontkomt aan de natuurlijke selectie van een berg. Zoals ook demarreren, sprinten, temporijden specialiteiten zijn voor natuurlijke selectie. Alleen afdalen kun je leren. Dat vraagt geen aangeboren fysieke kwaliteiten maar onverschrokkenheid, moed en soms een beetje doodsverachting als je er genoeg voor op het spel wil zetten. Onze maat ligt niet in de absolute prestatie. We zijn liefhebbers die niet kunnen tippen aan het niveau van een professional. We zagen een renner van een bekende profploeg langs flitsen in een tempo dat wij bergafwaarts nauwelijks halen. In voorbereiding op de enige Nederlandse wielerklassieker die in het voorjaar op de internationale kalender staat. Maar langs de meetlat van de relativiteit is ieders prestatie van bijzondere klasse. Voor ieder die denkt dat leeftijd en fysiek ongemak een gezond en sportief leven in de weg staan, bidt wielrennen uitkomst. Al fietsend en luisterend ben ik daar deze week meerdere krasse voorbeelden van tegengekomen. Mijn fietsende clubgenoot van het motorongeluk. De bollenkwekende man van mijn Reiki sportmasseuse die in de loop van een klein decennium prostaatkanker heeft overwonnen, een hartoperatie heeft ondergaan, aan nier- en galstenen is geholpen en is voorzien van een nieuwe heup. Een vijfenzeventigjarige die in de leeftijdsklasse tot vijfenzestig jaar tweemal winterkampioen triatlon van Nederland is geworden, vorig jaar de Marmotte heeft gereden en denkt dat dit jaar weer te doen. Iemand met een kunstarm, een blinde vrouw op een racetandem. Het is de levenspassie in ieder van hen die verleggend werkt tot ver voorbij de grenzen van het voor fysiek voor mogelijk gehouden. Zo’n levenspassie moet je kunnen uiten in een concrete vorm. Wielrennen is zo’n vorm. Niet de enige maar zo op dit eiland om me heen kijkend wel een gedreven en voor velen haalbare vorm. Zelf heb ik ene nog lichte vorm van longemfyseem. Ik kom meestal ver in de achterhoede, zo niet als laatste boven. Dat breekt mijn passie en wilskracht niet. Het heeft mijn degeneratie een krachtige stap terug doen maken. Zo pedaleren we ook deze zesde dag een Aantal kilometers dat de honderd ver te boven gaat.
De laatste dag rijden we uit. Een klein colletje, een beetje bergopwaarts en vele en vele lichtglooiende dalingen met de wind in de rug die een gestage snelheid van iets boven de veertig opleveren. Onze benen zijn moe, onze geest is verzadigd. De geest past zich aan het eindpunt aan. Maar zelden wordt het eindpunt bepaald door de geest. Als we nog een week zouden fietsen, zou onze geest in een anders staat schakelen. Omdat we weten dat we morgen teruggaan, voelen we ons bevredigd en voldaan. Als er nog een week zou komen, zou de geest een tussenbalans hebben gemaakt een tussenbalans die andere signalen afgeeft aan het lichaam dan de eindbalans die we nu onze geest hebben voorgedraaid. Gewassen en in schone kleding gestoken mijmer ik op een zeezicht terras in de ondergaande zon na over een unieke ervaring. Een week lang een leven leiden vanuit het perspectief van een fietszadel, pedaal en stuur. Mij schiet een variant op het gedicht ‘Goede Dood’ van Leopold Boutens te binnen:

Goede fiets wiens zuiver toeren

Door ’t verstilde leven boort

Die tot glimlach van ontroeren

Alle jong en schoon bekoort

Voor wie kinderen en wijzen

Lachend laten boek en spel

Voor wie maar verkleumde grijzen

Huiv’ren in hun kille cel

Mij is elke dag verloren

Die uw lokstem niet verneemt

Want dit land van frame en koren

Is mij immer schoon en vreemd

Want nooit beurde ik hier te drinken

Het water dat de ziel verjongt

Of van dichtbij hief te klinken

’t verre wijsje dat gij zongt

Alle schoon dat d’aard kan geven

Blijkt een pad dat tot u voert

En alleen is fietsen fietsen

Als het tot de dood ontroert